Vakbonden in Midden- en Oost-Europa krabbelen op

Printervriendelijke versieSend by email

Sep 24, 2005
Author: Dimphy Smeets

 
Dit artikel is overgenomen uit het kaderblad van FNV Bondgenoten*

Vakbonden in Midden- en Oost-Europa krabbelen op
Twee stappen vooruit, één achteruit

Vakbonden in Oost-Europa zitten in de verdrukking. De organisatiegraad daalde dramatisch sinds 1989. Werkgevers en de overheid maken de dienst uit. Kaderleden en (ex)bestuurders van FNV Bondgenoten proberen de bonden weer op weg te helpen.

In alle landen van Midden- en Oost-Europa zou de vakbeweging mooi werk kunnen verrichten. Want ondanks verschillen in welvaart lijden werknemers onder vergelijkbare problemen, zoals gebrek aan zeggenschap, slechte arbeidsomstandigheden, lage en onregelmatige lonen, en onzekerheid over hun baan. Maar de bonden zijn ernstig verzwakt door de erfenis van het verleden, verklaart Leo Mesman, beleidsmedewerker voor Centraal- en Oost-Europa van FNV Mondiaal (zie kader).
“Vroeger was de vakbondsorganisatie nauw verweven met het communistische regime. Het lidmaatschap was min of meer verplicht. Na de val van de Muur moesten de voormalige staatsbonden bij nul beginnen.” Werknemers zijn uiterst wantrouwig. Sinds de omwenteling daalde de organisatiegraad dramatisch, van meer dan 80 procent naar zo’n 15 procent. “Onze steun zorgt ervoor dat de bonden overleven. Dat is al heel wat, want ze komen van heel diep. Als ze de vernieuwing op pakken zie je wel ledengroei, bijvoorbeeld bij de Albanese onderwijsbonden. Maar de tijd van sectorcao’s is nog heel ver weg.”

Cees Franken en Klaas Zwart kunnen smakelijk vertellen over hun belevenissen in Oekraïne. Over een training voor vijftien mensen in een enorme, nauwelijks verwarmde zaal: “Buiten was het vijftien graden onder nul en binnen zaten de mensen met bontjas en handschoenen aan.” Of over de gezelligheid na afloop, met veel wodka en gezang. “De banden tussen Nederland en Oekraïne zijn behoorlijk aangehaald.” Ondanks de taalbarrière, die inzet van een tolk noodzakelijk maakte.
Beiden zijn kaderlid in de metaalelektro bij FNV Bondgenoten en actief in de werkgroep Oost-Europa. Vijf jaar lang reisden ze met enige regelmaat naar de voormalige Sovjetstaat om kaderleden van de bond voor auto- en landbouwmachine-industrie ASMU te scholen in zaken als onderhandelingstechniek, zodat die hun kennis weer door kunnen geven aan anderen.
De Nederlanders spreken bewonderend over het enthousiasme van hun cursisten. Tot hun verrassing bestond de helft van de groep uit jongeren en vrouwen. Franken: “In onze sector tref je nauwelijks vrouwelijke kaderleden aan. Daar dus wel, en ze zijn fanatieker dan de mannen.” Zij willen dat er echt iets verandert, denkt Zwart. “Ook omdat de zorg voor het gezin vaak bij hen ligt. De vrouwen houden de boel draaiende.”
Toch is de mentaliteit anders dan onder Nederlandse werknemers, vertelt Franken. “In Oekraïne krijgen arbeiders soms twee of drie maanden geen salaris. Toch werken ze gewoon door. Ze staken niet, voeren geen actie. Uit angst om hun baan te verliezen.” Klaas Zwart: “Voor een deel zijn werknemers lijfeigenen. Wie zijn baan verliest, verliest alles: zijn inkomen, zijn huis, de verzekering.” Maar er begint verandering te komen. “Werknemers zien hoe het elders gaat en willen een betere levensstandaard. Die beweging hou je niet tegen.”

In Oost-Europa komen vakbondsleden vooral uit voormalige staatsbedrijven die na de omwenteling werden geprivatiseerd, zoals Lada. Zij leveren voornamelijk aan andere Oost-Europese landen. De bonden hebben nog steeds te maken met autoritaire regimes die elementaire vakbondsrechten niet erkennen. In Wit-Rusland (Belarus), waar Klaas Zwart ook actief was, wordt de vakbeweging zwaar onderdrukt door president Loekasjenko. Zwart probeerde het belang van goede en veilige arbeidsomstandigheden onder de aandacht te brengen. Vanwege de groeiende repressie ligt het project al enige tijd stil. “De laatste keer dat ik er was, eind 2003, kon ik voorzitter Alexander Boekhvostov van vakbond ASM uit de gevangenis gaan ophalen. Hij had in Minsk gedemonstreerd en was opgepakt.” ASM is gelijkgeschakeld, dat wil zeggen onder staatscontrole gesteld.
Politiek en vakbondswerk zijn nog steeds op maffia-achtige wijze verweven. Cees Franken: “Uitgerangeerde machthebbers proberen in de top van de bonden te komen om zaken in eigen hand te houden.” De pro-Russische (inmiddels ex-)president Koetsjma van Oekraïne wist zich in zijn strijd tegen de pro-Westerse presidentskandidaat Joesjtsjenko gesteund door de mijnwerkers uit de Donbassregio. Zwart: “De mijnwerkersbonden zijn zeer conservatief en aan het regime verbonden. Maar hun angst is verklaarbaar. Ze verwachten dat een Westerse koers sluiting van de mijnen zal opleveren. Dat betekent één miljoen werklozen erbij.”

Midden-Europese landen als Hongarije, Polen en Tsjechië verkeren in een andere situatie. Zij behoren inmiddels tot de Europese Unie. Hier domineren westerse multinationals, zoals Philips, de arbeidsmarkt. Henk Walravens, voormalig onderhandelaar van FNV Bondgenoten bij DSM, was de afgelopen 2,5 jaar actief voor een project bij de metaalbond VASAS. Hij reisde twintig keer naar Hongarije om kaderleden en bestuurders te scholen in onderhandelingsvaardigheden en ‘opbouwwerk’ voor hun bond.
Hij schetst de situatie in het land: “De multinationals hebben vrij spel gekregen van de overheid. Die is blij met elke baan erbij en is bang om eisen te stellen. Maar de werkgelegenheid in de productie fluctueert enorm: de ene maand hebben de bedrijven drieduizend mensen in dienst, en de volgende maar de helft. En zodra loonkosten ietsje omhoog gaan, verhuizen ze naar landen waar de lonen nog lager zijn.” Zoals IBM, dat Hongarije verliet voordat het land zich bij de Europese Unie voegde; of Philips, dat de productie deels naar Oekraïne verplaatst. “Die onzekerheid maakt mensen passief.” Het grote personeelsverloop veroorzaakt ook onder kaderleden een voortdurende wisseling, die het vakbondswerk bemoeilijkt. “Het gaat met twee stappen vooruit, één achteruit”, zegt Walravens. “Kaderleden willen leren hoe je een degelijke vakbondsstructuur opbouwt. En ze moeten collega’s laten zien dat de bond echt iets voor hen kan doen en onafhankelijk opereert. Anders worden mensen geen lid.”
De overheid zou moeten streven naar duurzame werkgelegenheid, vindt hij. “Ze moet afspraken maken met multinationals die zich willen vestigen.” Met de Hongaarse kaderleden voerde hij intensieve discussies over dit onderwerp. “Overal ter wereld willen werknemers hetzelfde: vast werk, veiligheid en een goed inkomen.”

Overal zijn uit onvrede met de oude bonden nieuwe vakverenigingen ontstaan. De onderlinge concurrentie is soms groot. Leo Mesman van FNV Mondiaal geeft het voorbeeld van Hongarije, waar liefst zes vakcentrales actief zijn. Samenwerking komt moeizaam van de grond.
De versplintering wordt mede veroorzaakt doordat de centrale structuur van vroeger is weggevallen. Ook werkgevers zijn nauwelijks georganiseerd. Henk Walravens: “De bonden hebben geen gesprekspartner. Ze krijgen uitsluitend lokaal voet aan de grond en dan nog alleen in de grote bedrijven. De opbouw moet echt vanaf de werkvloer komen. Zelfs kaderleden van verschillende vestigingen van hetzelfde concern hebben vaak geen contact met elkaar.”
Tijdens het Hongarijeproject is daarmee een begin gemaakt. Kaderleden van drie vestigingen van Flextronics leerden elkaar kennen. Ze kaarten nu gezamenlijk via een concernraad onderwerpen aan bij de directie. Walravens: “Van cao-overleg is nog geen sprake, maar de bonden boeken winst op het terrein van de arbeidsomstandigheden. Bij Philips mochten medewerkers niet van de werkvloer af. Nu zijn afspraken gemaakt over pauzes en wc-bezoek. En er was sprake van structureel overwerk. Tegenwoordig wordt in een tweeploegendienst van acht uur gewerkt. En overwerk is écht vrijwillig.” Walravens ziet vooruitgang. “Ze weten te scoren. Het heeft in elk geval nieuwe leden opgeleverd.”

Internationale solidariteit
De projecten in Midden- en Oost-Europa zijn bedoeld om de structuur van vakbonden democratischer te maken en hun rol als belangenbehartiger en sociale partner te versterken. Transnationals Information Exchange Netherlands (TIE) voert de projecten uit. TIE is een internationaal netwerk dat “ijvert voor een democratische, pluriforme en solidaire vakbeweging”, aldus de website.
Coördinator Jan Cartier van TIE: “Projecten vinden plaats op verzoek van de lokale vakbonden. Zij betalen zelf ook een gedeelte van de kosten. Ook de uitwisseling van kennis tussen kaderleden is belangrijk.” Daarnaast dragen de Nederlandse overheid, O&O-fondsen en de Solidariteitsfondsen van de FNV-bonden bij. Deze laatste worden beheerd door FNV Mondiaal, de ontwikkelingsorganisatie van de FNV, en de Werkgroep Internationale Solidariteit van FNV Bondgenoten. De WIS bepaalt of een project in aanmerking komt voor steun uit het Solidariteitsfonds van Bondgenoten.
In principe gaat steun alleen naar landen die niet tot de EU behoren. De projecten in Midden-Europa zullen dus naar andere financiering moeten gaan uitkijken, al is daar wel discussie over omdat er nog veel moet gebeuren om de bonden slagvaardiger en krachtiger te maken. Wel zijn de projectdeelnemers allen lid van Europese of wereldwijde koepelorganisaties, zoals de Internationale Metaalfederatie.
Op dit moment ondersteunt FNV Bondgenoten projecten in Moldavië, Oekraïne, Rusland, Kazachstan, Kirgizië en Azerbeidzjan.

Meer informatie:
  • www.tie-netherlands.nl
  • www.fnv.nl/mondiaal,
  • www.bondgenoten.fnv.nl (onder knop thema Internationale Zaken),
  • www.vakbondsrechten.nl

More About Us

       

 
 
Inhoud syndiceren