Vakbonden, sociale beweging en de EU - objectieve en subjectieve problemen

Printervriendelijke versieSend by email

Mar 2, 2005
Author: Sophie Zafari

 
Debatbijdrage van Sophie Zafari, onderwijsvakbond FSU (Frankrijk)
 
Ik ga iets vertellen over de uitdagingen waar de vakbonden in Europa voor staan door het neoliberaal offensief. Dat offensief behelst o.a. een groeiende sociale ongelijkheid en de flexibilisering van de arbeid. Ik ga het niet alleen over problemen en moeilijkheden hebben, maar ook over positieve zaken, hoopvolle dingen. Zoals de opkomst van de andersglobaliseringsbeweging bijvoorbeeld. Een beweging die ook ons in Europa weer hoop geeft om een uitweg te vinden uit de huidige impasse, en alternatieven te kunnen ontwikkelen. Niet alleen voor de andersglobalisten is het belangrijk om die hoop te erkennen, maar zeker ook voor vakbondsactivisten en vakbonden.
 
Maar eerst die moeilijkheden. Het verhaal is bekend. De evoluties van het kapitalisme; het ontstaan van multinationals; de wijzigingen op het vlak van arbeidsverhoudingen... Ik wil er niet al te diep op ingaan, maar wel benadrukken dat de invloed van al deze veranderingen in de arbeidsverhoudingen van dien aard is dat de uitbuiting en de onderdrukking van werkende mensen niet enkel meer plaats vinden binnen de arbeidsrelatie, maar door begint te dringen in alle levenssferen.
Het liberalisme moet dan ook niet enkel bestreden worden in de bedrijven en op het vlak van de directe verhouding tussen bazen en werknemers, maar ook buiten het bedrijf zijn er fronten van strijd tegen het neoliberalisme.
Er is dus een alliantie nodig tussen de vakbonden die actief zijn binnen de bedrijven en andere krachten die op die andere fronten de strijd organiseren. Het klopt dat er binnen de andersglobaliseringsbeweging niet al te veel aandacht is voor die directe verhouding tussen arbeid en kapitaal, tussen baas en werknemer. Maar het klopt ook dat allerlei problemen waar we binnen de vakbeweging mee te maken hebben niet enkel meer te herleiden zijn tot die verhoudingen, wat maakt dat de andersglobliseringsbeweging, die zich vooral bezig houdt met die 'bredere' problemen, wel degelijk een rol heeft te vervullen in discussies binnen de vakbeweging.
 
Een ander probleem of moeilijkheid is de manier waarop de Europese Unie zich ontwikkelt en de rol die de vakbeweging daarin speelt. De groter wordende integratie in het kader van de EU betekent dat er een nieuwe macht wordt opgebouwd, een Europese macht. En die heeft de laatste jaren steeds meer een technocratisch, anti-democratisch en anti-sociaal karakter gekregen. De ontwikkeling van de Europese Unie is in etappes gegaan: in 1986 de eenheidsakte, waarmee de eengemaakte markt een feit werd; in 1992 het Verdrag van Maastricht en daaruit voortvloeiend de Economisch Monetaire Unie; en nu de Europese Grondwet, die alle voorgaande stappen nog maar eens herbevestigt. In deze context is het natuurlijk van groot belang om op het niveau van de Europese Unie een vakbondswerking, een syndicalisme op te bouwen. Tot nu toe echter heeft het Europees syndicalisme vooral bestaan uit verwoede pogingen van de Europese vakbonden om zich op te werken tot gesprekspartner op Europees niveau. Terwijl het opbouwen van een vakbeweging op Europees niveau die in staat is tot mobilisatie en strijd nauwelijks vorm heeft gekregen.
 
Dit is zeker niet alleen terug te voeren op subjectieve problemen als bijvoorbeeld de leiding van de vakbonden. Er zijn ook objectieve problemen die het opbouwen van een Europese vakbeweging bemoeilijken. Een eerste objectief probleem is dat de werking van de verschillende vakbonden heel anders is in de verschillende lidstaten: er zijn cultuurverschillen; verschillen in geschiedenis, achtergrond en organisatiegraad; de verhoudingen tussen de vakcentrales en de lidbonden is in elk van de landen weer anders geregeld; evenals de relatie tussen werkgevers, overheid en vakbond...
Een tweede objectief probleem is dat er geen Europese sokkel van sociale rechten bestaat, noch een Europese regeling die zegt wie daar over onderhandelt. Dit soort dingen verschillen van land tot land. Eén van die dingen die op Europees vlak niet geregeld zijn is het stakingsrecht. Er bestaat geen Europees stakingsrecht. Het Europees Handvest van de grondrechten, dat het tweede deel is geworden van de ontwerpgrondwet, verwijst naar de nationale regelgeving, terwijl in sommige lidstaten juist wettelijke obstakels bestaan tegen Europese stakingen (bv. In Duitsland). Dit vormt een belangrijk probleem voor de toekomst van het recht op syndicale organisatie.
Een derde objectief probleem zijn de grote meningsverschillen, en daardoor de versplintering tussen de verschillende nationale vakbonden in hun houding ten opzichte van de Europese Unie en de Europese eenmaking. Aan de ene kant van het spectrum heb je bonden die zondermeer vóór de EU en de uitbouw van de Europese Unie zijn, terwijl er aan het andere uiteinde vakbonden zijn die tegen elk idee zijn van om het even welke Europese samenwerking. Het is overigens vooral die eerste pool, die de dominante stroming is in de vakbonden in Europa, die de belangrijkste verantwoordelijkheid draagt voor het feit dat we in de jaren negentig gefaald hebben in het organiseren van gemeenschappelijk verzet tegen een aantal belangrijke Europese beslissingen, zoals die rond privatiseringen.
Een vierde probleem is dat de nationale bonden zich nog altijd vooral richten op de nationale context. De meeste vakbonden zijn nog altijd in hun nationale realiteit geworteld en hebben nog niet écht begrepen dat het steeds meer doorsijpelen van Europese politiek als gevolg heeft dat je je niet meer enkel op het nationale niveau kan richten. Ik weet niet of het enkel een Frans verschijnsel is dat vakbonden nationaal georiënteerd zijn, misschien is het in België of Nederland anders. Dit gebrek aan aandacht voor het Europees niveau is er ook omdat de EU vooral wordt ervaren als één grote technocratische boel waar bureaucraten onder elkaar van alles regelen zonder politieke gevechten en politieke keuzes. En zo worden ook de vakbondsvertegenwoordigers die daar rondlopen gezien: technocraten tussen andere technocraten. Dit terwijl een Europese macht vorm krijgt, doorheen een uitermate politiek proces. Maar zo wordt dat dus niet gezien, en dus kenmerkt het huidig Europees syndicalisme zich vooral door Europese vakbondsleiders die onder elkaar wat afspraken maken en een beetje coördineren op beleidsniveau. Er bestaan natuurlijk wel heel wat netwerken en bijeenkomsten van vakbondsleden over de Europese grenzen heen, zoals de Europese Ondernemingsraden - in de beperkte mate dat die bestaan – waar kaderleden elkaar tegen komen, maar het feit dat er geen gemeenschappelijk Europees syndicaal project is, geen visie op Europa, laat staan een project voor het omvormen van Europa - dit alles maakt dat wanneer die vakbondsleden elkaar tegen komen de bijeenkomst al snel een technocratisch karakter krijgt en geen Europees vakbondskarakter.
Samenvattend kunnen we stellen dat we voor een moeilijke opdracht staan als we een Europees syndicalisme willen opbouwen. We hebben het probleem van die hinderpalen van verscheidende culturen, verschillen tussen nationale landen e.d., in een context waarin de oude solidariteitsvormen rond de werkplaats worden afgebroken.
 
Wat wíj kunnen doen is een cultuur van strijd opbouwen, van conflict, van belang tegen belang. We moeten de EU behandelen en analyseren als een politiek project – wat het is – en niet als een project van technocraten die onvermijdelijke keuzes maken waarin geen sprake kan zijn van tegengestelde belangen.
 
Binnen dit algemeen kader zijn er wel een aantal stappen die we kunnen zetten. Vooraleerst, ik heb het al gezegd, kunnen de vakbonden dit niet alleen, ze zullen een alliantie aan moeten gaan met andere sociale krachten en bewegingen. Een voorbeeld is dat door middel van het uitbouwen van vakbondswerk over nationale en sectorale grenzen heen de vakbeweging een belangrijke plaats in kan nemen in het verstevigen van die Europese sociale bewegingen, waar ik in het begin even over sprak.
De ontwikkeling van deze andersglobaliseringsbeweging is snel gegaan de laatste jaren. Er is aan kracht gewonnen, er zijn een aantal overwinningen geboekt: de legitimiteit van het neoliberalisme – het idee dat dit de enige mogelijke weg is –bijvoorbeeld heeft een aantal flinke klappen gekregen; er is meer dan eerder een publiek debat over privatisering; het idee dat de wereld niet te koop is, heeft zijn weg gevonden bij een breder publiek, etc.
Tegelijkertijd heeft deze beweging ook zo haar beperkingen. Over onderwerpen als precaire arbeid, arbeidsvoorwaarden, sociale voorwaarden, de leefomstandigheden van mensen, heeft de andersglobaliseringsbeweging niet zo veel kaas gegeten. Daar over zouden nog veel ideeën ontwikkeld moeten worden en in dat proces heeft de vakbeweging een plek.
Iets anders dat we moeten doen, is het organiseren van campagnes, de leden organiseren rond actiepunten en concrete doelstellingen. Een voorbeeld is de mogelijkheid om een campagne op te zetten rond de - nog steeds actuele - Bolkestein-richtlijn, die de liberalisering van de diensten in Europa voorstelt. Maar iets dergelijks vereist dus dat we ons eigen syndicalisme verplaatsen naar Europees niveau, dat we ons denken verplaatsen naar Europees niveau, wat in een land als Frankrijk alles behalve vanzelfsprekend is.
In dat proces zijn het aantal strategische vragen die herbekeken moeten worden niet te schatten. Om er maar één te noemen: de oude gewoonte om bedrijf per bedrijf te onderhandelen en te redeneren is binnen de huidige realiteit waarin een bedrijf functioneert met allerlei onderaannemingen niet realistisch en productief. Het idee dat je vandaag de dag een syndicale strategie kan ontwikkelen waarbij je niet verder kijkt dan de directe relatie ‘vakbond tegenover werkgevers’ kan dus niet meer. In Frankrijk zijn we volop geconfronteerd met het probleem van de verplaatsingen van de productie. Niet alleen in sectoren zoals textiel en kleding, maar ook in de meer moderne sectoren zoals telecommunicatie. Het verplaatsen van productie is alom tegenwoordig, dus we moeten niet meer denken op het nationaal niveau, maar meteen op Europees niveau samen met de mensen in de andere landen.
Een ander strategisch vraagstuk is de positie en de rol van vrouwen en van migranten binnen de vakbond. Je kan in de wereld van vandaag geen vakbondsstrategie ontwikkelen als je de precaire positie van deze groepen in de maatschappij en op de werkvloer niet erkent en er mee werkt binnen je vakbond. Zij zijn de mensen die in de eerste plaats getroffen worden door de precarisering en flexibilisering, en als je die lagen niet hebt opgenomen in je vakbonden dan heb je die eerste slag tegen de flexibilisering al verloren.
Een logisch gevolg van deze strategische vraagstukken – en dit zijn nog maar twee voorbeelden – is dat we de vakbeweging en het vakbondswerk weer moeten politiseren; het vakbondswerk moet binnen een globaal maatschappelijk project worden gesitueerd en niet, zoals het EVV het tegenwoordig doet, de vakbeweging zien als een soort ambulance om de slachtoffers van het neoliberalisme naar het ziekenhuis af te voeren.
 
De balans die ik maak van de laatste jaren is niet zo schitterend; we hebben belangrijke mobilisaties gehad in verschillende landen rond de pensioenen, maar het is niet gelukt om daar een Europese krachtsverhouding rond op te bouwen. En ook andere projecten op Europees vlak zijn mislukt. De komende jaren zullen we onszelf duidelijke doelstellingen moeten stellen, we moeten EU-brede campagnes rond Europese onderwerpen ontwikkelen om zo een Europese krachtsverhouding op te bouwen. En van heel erg groot, en waarschijnlijk doorslaggevend belang daarin is of we in staat zijn om het algemene aan het concrete te koppelen. Dus het koppelen van maatschappelijke alternatieven - een ander Europa, een andere samenleving is mogelijk - aan de concrete leefomstandigheden van mensen. In het maken van die vertaalslag zullen de vakbeweging en de andere sociale bewegingen elkaar ook moeten vinden.
Dit is ook de kern van de discussies die we hebben op de verschillende sociale fora; hoe kunnen we het algemene koppelen aan het concrete? Hoe het nationale aan het Europese? Hoe kunnen we verschillende sociale groepen met elkaar in verbinding brengen? Dit zijn de discussies die we hebben, en als de vakbonden actief zouden gaan deel nemen aan dit soort discussies zou dat een belangrijke stap vooruit zijn in het oplossen van de problemen.
Op het laatste ESF in Londen hebben we toch een stap vooruit weten te zeggen. Eerlijk gezegd was het niet helemaal bevredigend, vooral als het er op aankwam specifieke Europese campagnes op te zetten. Maar ondanks deze beperkingen zijn we er toch in geslaagd een gemeenschappelijke mobilisatie af te spreken, op 19 maart, voor een demonstratie in Brussel, en zo een globaal Europees actieperspectief naar voren te schuiven waarin al die verschillende krachten gebundeld kunnen worden.
In Frankrijk is de houding over 19 maart van de vakbonden overwegend afwachtend. 'Eerst zien en dan geloven' is de houding. Een grote demo op een zaterdagmiddag van vakbonden samen met andere sociale bewegingen? Dat is nog nooit gebeurd. Ondanks dat ze dus nogal sceptisch zijn, lijkt het er nu toch op dat het een beetje begint te leven. En het probleem met die betoging is ook niet alleen dat die vakbondsleidingen niet willen. Ook voor de vakbondsactivisten is er een probleem: wij vragen ons af hoe we van deze demonstratie in Brussel voor de meerderheid van de werknemers en vakbondsleden, een geloofwaardig alternatief kunnen maken. Een groot probleem is om het geloofwaardig te laten zijn dat deze demo een mobilisatiepunt is tegen alle uitbuiting waar ook zij dagelijks mee geconfronteerd worden, dat het op de een of andere manier een antwoord is. De betoging is in ieder geval belangrijk. Alleen al omdat het een goede manier is om de verbondenheid van de verschillende groepen zichtbaar te maken.
 

More About Us

       

 
 
Inhoud syndiceren